Al in 2017 werden fotograaf Tom Verbruggen en schrijver Tim F. Van der Mensbrugghe (De Morgen) geïntrigeerd en geïnspireerd door de onzichtbare muur rond Gent. Ze sprokkelden beelden die spreken en verhalen die blijven.
Geniet hieronder van hun scherp beschreven wandeling op de aangenaamste weg van Gent: de stadsboulevard!
Er kronkelt een onzichtbare muur rond Gent. Een muur van asfalt en fijn stof die wijken scheidt en verbindt. Wat ooit echte stadswallen waren, is nu een stadsring. Iedere dag rollen er duizenden voertuigen over die ring en door het Gentse circulatieplan zal de drukte enkel toenemen.
Het enige waar mensen in hun wagen op letten, is het verkeer. Dat er ook leven is langs de ring, ontgaat ze. Daarom drukt fotograaf Tom Verbruggen de pauzeknop in. Zijn analoge beelden bevriezen de chaos en onthullen dat er leven is langs de R40. Terwijl iedereen sakkert over de lelijkheid van de ring, verrast Verbruggen met de schoonheid ervan.
De verhalen die reporter Tim F. Van der Mensbrugghe (De Morgen) sprokkelde, vullen de beelden aan. Hij kijkt weg van de wagens en zoekt de mens die langs de ring kuiert. Het geheel vormt een nieuwe wandeling langs een eeuwenoud traject.
Ooit al een sapcentrifuge gezien met een doorsnede van honderd meter? In Gent ligt er één. De Dampoort heet het ding. Een onzichtbare hand gooit er camions, wagens, autobussen, brommers, fietsen en voetgangers in de mix en zwengelt stevig. Het vocht in je evenwichtsorganen kolkt, langs alle kanten spat er motorolie door de lucht en op kwade dagen doet de centrifuge bloed vloeien.
Het is een heksenketel. Of seks: hoe minder je erbij nadenkt, hoe groter de kans dat je levend de finish haalt.
Automobilisten rijden het rondpunt van de Dampoort op. Ze mikken de neus van hun wagen in de richting van het juiste gat, knijpen hun ogen dicht en geven gas in de hoop dat ze zonder al te veel breuken en scherven belanden aan de andere kant van de spoorwegbrug. Negeer de wegmarkeringen en de pijlen, want die rotzooien met je ruimtelijk inzicht en dan ben je nog verder van huis.
Tussen het gemotoriseerd verkeer krioelen fietsers – wegenwerkers lieten het fietspad rondslingeren waar ze er het minst last mee hadden. De fietsers klagen niet: ze zijn te druk bezig hun hachje te redden.
De meeste voetgangers hebben geen academische graad in de fysica behaald en staan derhalve niet stil bij de hoeveelheden kinetische energie die rond hun broze lichamen cirkelen. Ze wandelen zoals ze leven: op goed geluk.
Aan de hele Dampoort is er één veilige strook trottoir, het voetpad rond de zwaaikom. Er leidt geen enkel zebrapad naartoe. Je bereikt het slechts als je jezelf in frieten laat rijden.
Er zijn plannen voor een viaduct of zelfs een tunnel om de verkeersknoop te ontwarren, maar daar is geen geld voor. Dus plaatste de stad een tweetal verkeerslichten.
Ze konden evengoed discolichten installeren.
Het Spanjaardenkasteel moest de Gentenaars knechten, maar de Gentenaars zetten een geheim wapen in: tijd. Verval verwoest meer dan kanonskogels. Van Keizer Karels gevreesde dwangburcht schiet er na vijf eeuwen niets meer over, behalve een paar vergeten steenblokken en een straatnaam.
De huizen aan die Kasteellaan ogen best prettig, alleen jammer dat hun voortuin bestaat uit een vierbaansweg. Vanuit de dagelijkse file vraag je je af wat mensen in godsnaam bezielt – behalve pure wanhoop – om hier te komen wonen.
Te voet ontdek je het geheim van de Kasteellaan. Tussen twee gevels leidt een doorgang naar een verborgen paradijs. Vanuit hun tuintjes kijken de omwonenden uit over het groen van het Rommelwaterpark. Van elke vierkante meter hebben ze een gezellig terras gemaakt – soms staan er dikke tralies rond, opdat de gezelligheid niet kan ontsnappen.
Op het voetbalterrein ontstijgen spelende kinderen de stad, bomen bieden beschutting tegen de elementen. “Hier kun je zeer goed komen vingeren ‘s avonds”, fluit Tom, om mij vervolgens te berispen: “Don’t write that down!”
De huizen aan de Heernislaan staan met hun rug naar de achterliggende wijk gekeerd. De mensen die hier wonen, hebben allemaal korte tenen, je moet er eens op letten. Ik denk dat het een genetische aanpassing is: stap je hier te enthousiast door je voordeur naar buiten, dan rijdt de halve ring over je voeten.
Telkens als ik hier over het voetpad schuifel, druk ik mijn rug tegen de gevels. Onwillekeurig trek ik mijn buik in.
De mensen die hier wonen, hebben allemaal heel strakke buikspieren.
Honderd jaar geleden had de Vlaamsekaai een apart karakter, het was een schilderachtige boulevard, met villa’s die de naam droegen van kunstenaars. Nu staat nog amper de helft van die merkwaardige gevels overeind. Zwierigheid was niet opgewassen tegen na-oorlogse bouwwoede. Eclecticisme moest plaatsmaken voor appartementsblokken die je het Oostblok niet zou toewensen. De villa’s Setternam en Snellaert dulden nu het gezelschap van gedrochten. Misvormde gevels die uit de koker kwamen van architecten die te enthousiast met een ijspriem aan de binnenkant van hun schedelpan krabden.
Vroeger stonden hier bomen, onze voorouders kwamen er kuieren. Nu ligt er een autostrade, over de hele strook tussen de gevels en het water. Leve de vooruitgang. De mooiste huizenrij die je in Gent kunt vinden, staat verzameld aan de Vlaamsekaai. Helaas. De jaren zeventig hebben haar vermoord.
Een oude visser gooit zijn sigarettenpeuk zomaar in het water. Waarom zou hij dat niet mogen doen als je aan de overzijde ziet hoezeer de stad zichzelf heeft verminkt? Nergens anders riep Gent luider ‘foert!’ tegen zichzelf dan aan het Keizerviaduct.
Aan de Vlaamsekaai helpt een oude sluis voetgangers en tweewielers naar de overkant van de Schelde. Tussen het groen op de andere oever staan appartementsblokken – pogingen om oude industrieterreinen de 21ste eeuw in te sleuren. Bewoners uit de Heirniswijk wandelen er zonder dat een stadssnelweg hun kinderen tracht mee te graaien. Joelend bollen kleuters met hun loopfietsen van de walletjes rond het speelterrein
De Franse Vaart leidt ons weg van de Schelde, de bomen van het Keizerpark wissen de schande van de stadsring uit ons blikveld. In het Keizerpark landt een fietsersbrug uit de toekomst, een ding met hoge pieken dat de binnenstad aan Gentbrugge knoopt. Het park errond daalt trapsgewijs naar de Schelde, je benen kunnen de lokroep van het water niet negeren.
Daar wacht enkel teleurstelling. Aan de overkant van het water zie je geen oever, maar vernietiging. Duizenden kubieke meters brutaal beton drukken op de samenvloeiing van drie waterwegen, verbergen de achterliggende huizen. De enigen die lol hebben aan het Keizerviaduct zijn de automobilisten die hun gaspedaal wat dieper mogen indrukken terwijl ze boven de stad lijken te vliegen.
De Gentse ring volledig afwandelen behoort niet tot onze mogelijkheden. Dat komt doordat het Keizerviaduct voetgangers haat. Enkel automobilisten krijgen toegang tot het panorama op de stad, een trottoir of fietspad is hier niet voorzien.
Maar straatfotografie is straatfotografie en straatfotografie vergt volharding, ook als je je daarmee in de illegaliteit begeeft. Dus stappen we geheel tegen de regels in op het Keizerviaduct.
Ik adviseer Tom om aan de buitenkant van de reling te wandelen, dat is gunstiger voor zijn fysieke integriteit. Tom durft niet. Hoogtes wakkeren zijn onveiligheidsgevoel aan.
“Pas op, daar komt een tractor aan”, wijs ik.
“Fuck!”, schrikt Tom.
In een wip staat hij aan de andere kant van de reling, op een richel van 20 centimeter breed. Aan zijn tenen ligt een afgrond van wel twee meter diep. Door het raam op de eerste verdieping van een woning beloert een geraamte ons. De grijns van de doodskop is er te veel aan voor Tom. Hij laat zich naar beneden zakken.
Aan de Keizerpoort hebben we niet op de ring gewandeld. Een straatfotograaf moet zich niet concentreren op asfalt en wegmarkeringen wanneer de mensenwereld zich bevindt daaronder.
Voorbij de Sint-Lievenspoort rijst de ring op als herboren. Een grassige middenberm duwt de verkeersstromen uit elkaar. In de lente pronken narcissen en andere obscene bloemen er met hun voortplantingsorganen. De langzaam groeiende reuzen die men bomen noemt, overleven mobiliteitsplan na mobiliteitsplan.
De flatgebouwen huisvesten bewoners die zich het uitzicht kunnen veroorloven. De stad waarover zij uitkijken, is een ander Gent dan de post-industriële rommel die Tom vanuit zijn appartement moet aanschouwen.
De fotograaf en ik vragen ons af of we wel deftig genoeg gekleed zijn om langs dit stuk van de ring te mogen wandelen.
De schoonheid van de Gentse ring concentreert zich op één plek. De rest van de R40 mag zich tonen als een lelijk gedrocht, al het goede valt samen op het stuk dat de naam draagt van Charles de Kerchove de Denterghem et Cetera. Daarom wilden ze deze parel vernietigen, want vlot verkeer verdraagt geen schoonheid.
Wanneer je je via de Charles de Kerckhovelaan naar beneden laat rollen, overvalt de stad je. Vanuit de negentiende-eeuwse decor kijk je uit over een landschap dat zich grootstedelijker uitstrekt dan je verwacht van je eigen Gentje. Plots hangt er grandeur in de lucht.
Madammen in een lichtblauwe Mercedes 230 SL uit de hippietijd rijden speciaal naar Gent om zich op dit stukje ring te laten flitsen door aandachtige fotografen.
De fontein liet zich geen bescheidenheid aanpraten, de gevels van de herenhuizen verstoppen zich evenmin. De middenberm huisvest een langgerekt park met kabbelend water en rotsen en vegetatie en Japanse kerselaars. Iedere lente bloeien die ter ere van Charles de Kerchove. Magnifiek.
De ring plooit zich helemaal rond de Bijloke. Met de wagen is het aangenaam cruisen langs de weidse bocht, om je vervolgens vast te rijden op het Bijlokekruispunt. Het knooppunt is ontworpen om automobilisten recht naar de psychiatrie te leiden – enkel zotten geraken zonder hersenschade aan de overkant.
Een veelheid aan voorsorteerstroken leidt de verkeersstromen in absurde banen en wanneer je eindelijk hebt uitgevogeld waar je moet staan om heel misschien in de juiste richting voort te rijden, hoor je plots TINGTINGTINGTING!!! De tram wil zich op de R40 zwieren en net jij staat in de weg.
Ik ben geenszins verdwaald, ik loop gewoon een beetje verloren. Op sommige plekken is de ring te smal om het verkeer treffelijk te laten circuleren, aan Einde Were is hij te breed. Je kunt een voetbalmatch organiseren op de middenberm en dan nog is er aan weerszijden voldoende plaats om wagens haaks te laten parkeren.
Het overschot aan ruimte bewijst: hier begint de buiten. De naam ‘Einde Were’ zegt het zelf, die betekent ‘het uiteinde van de wering’. De oude stadswallen botsten er op een rivier: alwéér een Leie-arm. Die natuurlijke grens vormde het einde van de wereld voor de Gentenaars.